Als de zanger opstapt in een legendarische band, houdt dikwijls het bestaansrecht op. Het haalt heel vaak de angel eruit of brengt gewoon een ander geluid. Voorbeelden als AC/DC, The Clash, Marillion, The Pogues en Queen zijn veelzeggend. Maar ook of juist bij een eenheid als de grote The Ex lijkt het opstappen in 2009 van de enigmatische zanger/dichter G.W. Sok de doodsteek; hij wil zich meer toeleggen op schrijven en grafisch ontwerpen, waarvoor alle begrip, al duikt hij met enige regelmaat nog wel als gastzanger op (in L’Étrangleuse en Canibales & Vahinés bijvoorbeeld). In 2010 verschijnt echter de cd Catch My Shoe met de nieuwe zanger Arnold de Boer, tevens kopman van de band zea. Hij blijkt eigenlijk met het grootste gemak in de voetsporen van Sok te kunnen treden. Dit is naast zijn kwaliteiten mede te danken aan het feit dat de groep altijd hun eigen ego heeft weten uit te schakelen en opereert als collectief. Daarnaast hebben ze door de jaren heen aangetoond over een open mind te beschikken, graag met anderen samen te werken en andere stijlen te omarmen en absorberen. Hiervan zijn The Ex & Friends en The Ex Orkest en hun samenwerkingsverbanden met Tom Cora, Tortoise en Getatchew Mekuria al ijzersterke, overtuigende voorbeelden. De doorstart van The Ex levert in 2010 na 30 jaar gewoon één van hun sterkste albums op. Ik heb al geroepen dat ik mijn schoen op zal eten als daar niet nog meer moois uit voort zal vloeien. Gelukkig voor mijn maag verschijnt vorig jaar al de dubbel cd Y’ Anbessaw, weer met de legendarische Getatchew Mekuria en gasten als de grootse saxofonist Ken Vandermark. In december viert The Ex hun 33⅓ jarige bestaan.
Aan de vooravond hiervan brengen ze nu de cd Enormous Door uit. Naast Arnold (zang, gitaar, samples) zijn het zoals al heel lang Andy Moor (gitaar), Terrie Hessels (gitaar) en Katherina Bornefeld (drums, zang) die hier aantreden. Na het beluisteren van de cd kom ik tot de conclusie dat ze het met z’n vieren prima zouden hebben gered om een uitstekend album af te leveren. Dat het echter nog overtuigender en vooral krachtiger kan blijkt uit het feit dat ze hier samenwerken met de zogeheten Brass Unbound. Dit is een explosief viertal bestaande uit toonaangevende blazers uit de verschillende windstreken, te weten de Zweed Mats Gustafsson (saxofoon), de Amerikaanse jazz-legende Ken Vandermark (saxofoon, klarinet), de Italiaanse grootheid Roy Pace (trompet) die ook op het album uit 2010 aanwezig is en de landgrensoverschrijdende Wolter Wierbos (trombone). Sla hun discografie er maar eens op na en je slaat stijl achterover. En toch staan hun uitbundige, soms improvisatorische blaaspartijen geheel ten dienste van de muziek van The Ex. Deze laveert weer van rock, punk, experimentele muziek en noise naar jazz, afro, Balkanmuziek, indie en funk, al is het vooral een eigenzinnig product zoals je van hen gewend bent. Hoewel elke vergelijking spaak loopt, moet je vooral denken aan een originele en vooral beklijvende mix van Dog Faced Hermans, The Fall, Debo Band, Wire, Mahmoud Ahmed en ook zea. Na al die jaren hebben ze nog niets ingeboet aan hun pakkende stekeligheid of experimenteerdrift, die ze weten te koppelen aan smakelijk sprankelende muziek wars van trends. Het is bijna geen band gelukt om na zoveel jaren nog zo te verrassen, tegendraads te zijn en toch geheel als zichzelf te klinken. Klinken als The Ex en toch anders. The Ex flikt het gewoon weer en hoe! Een grandioos en essentieel album van een volslagen unieke band.
Multi-instrumentalist en componist Matthew Robert Cooper, ook wel eens opererend onder het alias Martin Eden, is met zijn project Eluvium al 10 jaar lang actief. Hij start met toonaangevende en bovenal fraaie desolate postrock vol gitaarambient en softnoise. In 2007 verschijnt zijn vierde, overweldigende album Copia, waarop hij de postrock zachtjes van zich afschudt en meer de neoklassieke kant opgaat. Matthew gebruikt hierop de postrock elementen nog wel in de basis van sommige stukken, maar klassieke muziek en minimal music zijn een leidende rol gaan spelen. Hij produceert minimale drones, waarover hij prachtig pianospel drapeert. Daaraan worden orgels, hoorns en vele strijkers en keyboardklanken toegevoegd, die het nieuwe geluid perfectioneren. Eluvium weet altijd al met kleine nuances nieuwe geluiden te brengen, maar drukt altijd een typerende stempel. Zo zie je één van je favoriete artiesten zich graag ontwikkelen. Op zijn laatste reguliere album Similes uit 2010 verrast hij door ineens te gaan zingen. Op breekbare wijze brengt hij zijn dromerige, poëtische teksten ten gehore, waarbij hij enigszins doet denken aan Sylvain Chauveau. Daarbij laat hij pianogestuurde ambient met lichte drones, glitch en ver op de achtergrond ook nog steeds postrock horen. De aanpak is hierbij minimaal en fragiel en het resultaat op een prettige manier onverminderd melancholisch. Eluvium is synoniem geworden voor het op schitterende wijze verpakken van diepgravende emoties. Hierna laat hij met Charles Buckingham in 2010 nog van zich horen in het prachtig neoklassieke ambientproject Concert Silence en onder zijn eigen naam in 2011 nog op de soundtrack Some Days Are Better Than Other.
Drie jaren van stilte van zijn moederproject wordt nu doorbroken met de dubbel cd Nightmare Ending. Met een titel als deze kan het niet anders dan dat het weer een droefgeestig werk zal worden. De vraag is alleen wat hij nu weer uit zijn trukendoos heeft getoverd. Matthew werkt hierop met piano, synthesizers, tape, keyboards, sampler, gitaar, bas, strijkinstrumenten, veldopnames en percussie-instrumenten. Hij mag een enkele maal rekenen op de steun van gitarist Mark T. Smith van Explosions In The Sky en zanger/gitarist Ira Kaplan van Yo La Tengo. Het is echter vooral een soloaangelegenheid geworden, hetgeen ook het best past bij de isolationistische, desolate muziek. Hij heeft als basis weer minimale, skeletachtige composities gemaakt, maar kleurt deze op gruizige en gevarieerde wijze in. Hierdoor is de muziek voller, meer gelaagd en krachtiger dan voorheen zonder dat het ook maar ergens inboet aan emotie of te overdadig wordt. Het is meer een combinatie van gitaarambient, neoklassiek en softnoise geworden, waarbij hij zijdelings naar postrock, minimal music, shoegaze en drones grijpt. Matthew weet dat echter allemaal zo te verpakken dat het lijkt alsof je een kraan open hebt gezet waaruit enkel diepe gevoelens, gedachten en ongerepte schoonheid stroomt. De zang heeft plaats gemaakt voor veelzeggende instrumentale muziek. Omdat dit alles een behoorlijke impact heeft, is het fijn dat hij zijn 14 composities over twee cd’s van 42 en 41 minuten heeft verdeeld. Je hebt ook wel eens van die albums waarbij je denkt dat de helft weglaten gewoon één sterk album oplevert. Bij dit nieuwe album heb je eerder de wens dat het nooit hoeft te eindigen, al is een adempauze best welkom. Hij zit met zijn sound ergens tussen Flying Saucer Attack, SubtractiveLAD, Stars Of The Lid, Bitcrush, Brian Eno, Erik Satie, Hammock, Helios, Yellow6, Simon Scott, Library Tapes en Greg Haines in. Zoals een brand een gebouw in as kan leggen weet hij je als luisteraar ook tot een klein hoopje te maken, met dat verschil dat dit wel een prettige ervaring oplevert door de alles verzengende schoonheid. Daar waar nachtmerries eindigen, begint de gedroomde en tot de verbeelding sprekende muziek van Eluvium. Een weergaloos en wonderschoon meesterwerk.
Ik heb eerder al geroepen dat je het Oostenrijkse label Valeot in de smiezen moet houden, hetgeen na sterke releases van onder meer Kutin, Werner Kitzmüller, Attilio Novelino, Tupolev, Port-Royal en Slon enkel onderstreept wordt. Labelbaas, muzikant en bandleider Alexandr Vatagin speelt een hoofdrol in het geheel en heeft naast werk onder zijn eigen naam ook releases uitgebracht met Port-Royal, P.W.E, Dirac, Slon, Und Morgen, Der Asphalt, Tupolev en Quarz. Misschien kan ik beter roepen dat je alles rondom Vatagin in de gaten moet houden, want deze van origine Oekraïense muzikant brengt telkens spraakmakende albums uit. Hij heeft onder zijn eigen naam al de twee albums Valeot (2006) en Shards (2009) uitgebracht.
Alexandr Vatagin komt op het moment dat zijn label 5 jaar bestaat met zijn derde solowerk Serza op de proppen. Het album bevat materiaal dat hij van 2007 tot 2012 geschreven heeft. Zoals altijd werkt deze multi-instrumentalist met de laptop, toetsen, cello en (contra)bas. Hiermee weet hij een organisch geheel te scheppen dat zowel abstract als wezenlijk is. De spanning die hij met zijn minimale creaties weet te op te bouwen is van een uitzonderlijke klasse. De ene keer wandel je door innovatieve klanklandschappen vol flarden van jazz, glitch, post-rock en experimentele muziek en op andere momenten kan je jezelf laven aan wonderschone neoklassiek, minimal music en ambient of een wonderlijke mix van dit alles. Hij krijgt hulp op elektronica, gitaar, drums en piano van onder meer Martin Siewert (Heaven And, The Year Of, Trapist), Hideki Umezawa (Pawn), Peter Holy (Und Morgen, Der Asphalt, Tupolev) en eenmaal het voltallige Port-Royal. Elektronische geluiden afgewisseld met akoestische zetten een suggestieve maar onzekere koers uit, die je wel weten te grijpen en leiden. Dit komt met name door de nachtelijke, melancholische atmosfeer die als een rode draad door het geheel loopt. De muziek houdt het midden tussen Tape, Talk Talk, Orla Wren, The Remote Viewer, The Boats, Fennesz, Mitchell Akiyama, Rachel’s, Dean Roberts en Colleen, maar weet door het eigenzinnige instrumentgebruik een totaal eigen identiteit te verwerven. Hij beheerst ook de kunst van het weglaten, waardoor je als luisteraar ook voor een groot deel aangewezen bent op je eigen verbeeldingskracht. Door dit alles blijft het boeiend tot de laatste seconde. Minimale middelen de leiden tot een maximaal effect, ook al duurt het allemaal net meer dan een half uur. Caleidoscopische kleinood! Hiernaast verschijnt er ook de cd Five Years On Cold Asphalt (alweer 5 jaar) van zijn project Quarz, dat in 2006 gestart is. Vatagin draagt zorg voor het concept, de coördinatie, elektronica, synthesizers en samples. Aan zijn zijde bevinden zich tegenwoordig Nicolas Bernier met elektronica en samples, Stefan Németh (Lokai, Radian) op de synthesizer, Alexander Schubert (Sinebag) met elektronica en samples en wederom Martin Siewert op gitaren, elektronica en CX3. Daarbij hebben ze drummer Bernhard Breuer (Der Böse Zustand, Fugu & The Cosmic Mumu) en David Schweighart (Tupolev) met veldopnames te gast. Ze creëren hier één lange track van ruim 34 minuten, die vooral klinkt als een langgerekte improvisatie. Wel een heel spannende. Langzaam vlechten ze namelijk allerlei herkenbare en ondefinieerbare geluiden door elkaar en bewegen en veranderen ze hetgeen ze fabriceren steeds op bedachtzame wijze. Als sluipschutters bouwen ze heel langzaam naar de climax toe. Het geluid zwelt naar het einde namelijk aan en gaat op zo’n 4 minuten voor het einde vrij onverwacht over in noisy elektronica met stevig, bombastisch drumwerk. Hierbij zijn ze na hun abstracte begin vol experimenten, glitch en musique concrète langzaam geëvolueerd naar een meer concreet geluid vol post-rock en angstaanjagend piepende elektronica. Ze brengen een bloedstollende thriller, waarbij je tot het laatste geluid gebiologeerd blijft. Een subliem album! Je wordt er alleen maar nieuwsgieriger van wat Vatagin nog meer in petto heeft voor de toekomst.
Je hebt van die gedroomde muzikale huwelijken, waarvan net als bij echte huwelijken de ene beter uitpakt dan de andere. Maar als het goed klikt, kan de uitwerking groots en alles overstijgend zijn. Zo’n droomkoppel van de laatste categorie, waar je op voorhand al de opwinding ervaart, is die van de Londense gitarist, toetsenist en componist James Blackshaw en de pas herontdekte Oekraïense pianist Lubomyr Melnyk. James Blackshaw is pas 32 jaar, maar heeft al een muzikaal verleden om u tegen te zeggen. Hij heeft namelijk al 9 solowerken en een live album uitgebracht. Hiervoor speelt hij in diverse punkbands. Hij maakt verder nog deel uit van Current 93, Brethren Of The Free Spirit (duo met Jozef Van Wissem) en de liveband van Pantaleimon. Hij creëert zijn muziek dikwijls op de klassieke nylongitaar, veelal 12-snarig, maar weet daarmee als geen ander te emotioneren en imponeren. Deze virtuoos schept composities die het meest weg hebben van instrumentale verhalen, welke ook daadwerkelijk tot leven komen in je gedachten. Zijn breed gesponnen composities doorkruizen folk en minimal music en leveren hem vergelijkingen op met onder meer Jack Rose, Nick Drake, Robbie Basho, John Fahey, Bert Jansch, Sir Richard Bishop. James brengt zijn werken al dan niet met gasten uit op labels als Tompkins Square, Celebrate Psi Phenomenon, Static, Digitalis Industries, Important Records, Young God en Static. Door de jaren heen groeit hij, al valt er op de meeste van zijn werken niets af te dingen. Hij is een toonaangevend en eigenzinnig muzikant, waar nog veel van te verwachten valt in de toekomst.
De tweemaal zo oude pianist Lubomyr Melnyk gooit onlangs nog hoge ogen met zijn eerste worp Corollaries op het prestigieuze Erased Tapes label. Ik zal even een korte samenvatting geven van hetgeen ik eerder over hem geschreven heb. Zijn grootste wapenfeit is de uitvinding van de zogeheten “continuous music” op de piano, waarbij hij aan één stuk doorspeelt zonder ook maar één stilte te laten vallen. Hij heeft ook 2 wereldrecords op zijn naam staan: 1.) die van snelst spelende pianist met 19,5 noot per seconde en 2.) de pianist die de meeste losse noten (93.650 om precies te zijn) in precies 60 minuten heeft gespeeld. Op zijn labeldebuut, want hiervoor heeft hij al vele klassieke en minimal music werken gemaakt, verkeert hij in goed gezelschap van Peter Broderick en Nils Frahm. Hij vindt met gemak de aansluiting bij deze hedendaagse musici, mede door zijn jonge, frisse en bovenal vingervlugge aanpak. Het is een groot genoegen hem (weer) in ons midden te mogen hebben.
De toekomst en het rijke verleden vloeien nu samen. Beide artiesten delen in feite hun vingervlugheid en beheersing van hun favoriete instrument; virtuozen pur sang dus. Dat kan natuurlijk leiden tot oeverloos gepriegel, maar daarvoor zijn beide heren te emotioneel geladen en te bewust van de uitwerking van hun muziek. Dit is ook iets wat op hun 4 composities tellende cd The Watchers al heel snel duidelijk wordt. De 12 snaren van Blackshaw naast nog veel meer snaren van Melnyk maken de dienst uit. Maar dat dan vooral om allerlei tot de verbeelding sprekende improvisaties uit te werken tot wezenlijke, emotievolle soundtracks dan wel klanklandschappen, die ergens tussen neoklassiek en experimentele muziek uitkomen. Ik denk dus ik besta, maar moet ik mijn eigen oren vertrouwen in deze? Het is van een ongrijpbare orde, vakmanschap en schoonheid, dat je haast zou gaan twijfelen. Hun improvisaties openen poorten naar andere dimensies, maar weten ook op aardse wijze hun punt te maken. Dagdromen, filosoferen en toch op prachtige manier concreet worden. De geluiden klateren in een continue stroom op kristalheldere, speelse en subtiele wijze door de luidsprekers naar buiten, die een soort kruisbestuiving van John Fahey, Jack Rose, Erik Satie, Philip Glass, Wim Mertens, Richard Skelton en Greg Haines vormen. Dit zonder dat die vergelijkingen helemaal opgaan, want bij het samensmelten van hun instrumenten komt er namelijk een extra magische glans over hun muziek heen, die zich niet laat vangen of verklaren. Als je eenmaal gegrepen wordt, laat deze muziek je ruim 3 kwartier lang niet meer los. Hier zijn twee grootmeesters aan het werk, die op bescheiden wijze en slechts met 2 instrumenten een diepe indruk weten te maken. Genialiteit behoeft geen overdaad, maar enkel goede ideeën en vakmanschap. Een ontwapend meesterwerk.
Het prestigieuze Crammed Discs label levert nog altijd met enige regelmaat heel fraaie wereldse snoepjes af. Nu komen ze met de Libanese Yasmine Hamdan. Deze wordt in eerste instantie bekend met haar indie/elektronica band Soapkills, die ze begin deze eeuw in Beiroet opricht. Op hun debuut Bater uit 2001 laten ze een heel ander geluid horen dan je misschien zou verwachten uit het Midden Oosten. Ze verhuist een paar jaar erna naar Parijs, waar ze nog altijd woont. Ze werkt hier in eerste instantie met Mirwaïs (Ahmadzaï). Met hun gezamenlijke synthpop project Y.A.S. brengen ze de cd Arabology in 2009 uit. De immer rusteloze en creatieve Hamdan, die in haar thuisland en de Arabische wereld inmiddels als underground boegbeeld te boek staat, gaat hierna met Marc Colin aan de slag. Hij is zoals bekend de mastermind achter Nouvelle Vague. Maar in plaats van er een bossanova, dance of new wave project van te maken staan de elektronica van Colin ten dienste van Hamdan om haar Arabische roots van een fraaie omlijsting te voorzien en goed uit de verf te laten komen, met behoud van haar experimenteerdrift.
Het overtuigende resultaat is te horen op haar solodebuut Ya Nass, hetgeen “mijn volk” betekent. Hoewel ze nu in een meer vrijdenkend land woont, zal ze ongetwijfeld met veel weemoed terug denken aan haar prachtige thuisland met “haar volk”. Ook is ze zondermeer schatplichtig aan haar landgenote Fairuz (echte naam: Nouhad Haddad), die op de achtergrond zeker doorechoot in haar moderne muziek. De muziek houdt het mooie midden tussen verstilde folk, elektropop, droompop en trip hop. Daar doorheen sijpelt altijd de droefgeestigheid, heimwee en verlangen als smeerolie door haar pakkende songs. De ene keer komt ze meer akoestisch en op ander momenten juist meer elektronisch uit de hoek, maar alles is gehuld in een mysterieuze atmosfeer. Naast Fairuz en andere landgenoten moet je blij vlagen ook denken aan Souad Massi en Natasha Atlas, al heeft ze ook wel iets van Oosters getinte Cocteau Twins, Tanita Tikarem, Oi Va Voi en This Mortal Coil. Dat klinkt wellicht als een ietwat ongelooflijke combinatie, maar deze Oosterse nachtegaal weet als geen ander heden aan het verleden en Oosterse aan Westerse muziek te knopen. Zo mooi, feeëriek en onwerkelijk als een sprookje uit 1000 en één nacht.
Er is sinds een paar jaar een nieuwe prachtster aan het rare meisjesfirmament. Het is de, let op, in 1988 in de VS geboren Maïa Vidal waarbij de ouders van Franse en Japans/Duitse afkomst zijn. Ze heeft viool gestudeerd in New York en is later verder gaan studeren in Montréal (Canada) en woont tegenwoordig afwisselend in Parijs en Barcelona. In New York start ze de punkband Kiev, die al snel omgedoopt moet worden in Kievan Rus en in Montréal gaat ze verder met de groep Your Kid Sister, waarmee ze van haar favoriete punkband Rancid covers ten gehore brengt die eerder op slaapliedjes of klagende walsen lijken. De opleiding tot raar meisje gaat uiteraard langs bevreemdende wegen. Eind 2011 debuteert ze dan onder haar eigen naam met God Is My Bike, waarmee ze op ontwapende wijze weet te imponeren. Ze doet door haar gezichtsversieringen en muziek meermaals denken aan CocoRosie, maar brengt ook veel meer dan dat. Haar innemende zang in afwisselend het Engels en Frans en veelzijdige instrumentarium zijn een lust voor het oor. Door alle speelse muziek sijpelt ook flink wat melancholie, die voor diepgang zorgt en aantoont dat Maïa Vidal iemand is met een boodschap. Deze weet ze wel op unieke en wonderschone wijze te verpakken. Er verschijnt tussendoor ook nog een gelijknamige mini.
Ruim een jaar later is haar tweede album Spaces ☆ geboren, wederom op het legendarische label Crammed Discs uitgebracht, waarop ze moeiteloos de kwaliteit van haar debuut weet te evenaren. De multi-instrumentaliste fabriceert haar muziek met piano, autoharp, Qchord, viool, keyboard, trompet, klarinet, klokkenspel, theremin, speelgoedpiano, banjo, banjolele, contrabas en accordeon. Te gast is wederom Giuliano Gius Cobelli (trompet, percussie, zang). Alleen dit verraadt al dat ze weer een hoog folk-gehalte ten gehore brengt. De productie is in handen van Yann Arnaud (Air, Phoenix, Cibelle, Stephan Eicher) en in 2 van de 12 track van Howard Bilerman (Arcade Fire, Godspeed You! Black Emperor). Ze zingt nu nog enkel in het Engels. Een andere verandering is dat het allemaal een tandje serieuzer is geworden, waarbij ze de speelsheid en bevreemdendheid heeft weten te behouden. Hiermee kan je gerust stellen dat ze er op vooruit is gegaan, ook al kan je op haar debuut werkelijk niets aanmerken. Het album laat een lekker zomerse maar tevens nachtelijke mix horen van freakfolk, avant-garde, toytronica, singer-songwritermuziek, indie en minimal music. Ze weet dit als prima droompop te presenteren en dikt het her en der nog aan met elementen uit de jazz, triphop en bossanova. Nergens leidt het helemaal tot een doorsnee nummer. Dit heeft alles te maken met haar bijzondere zang, haar ontwapende en unieke benadering om muziekstijlen te mixen en combineren en de licht mysterieuze sound. Op eigenzinnige wijze houdt ze het midden tussen That Dog, CocoRosie, Sóley, Lisa Germano, Hail, Final Fantasy, Yann Tiersen, Emiliana Torrini en Nancy Elizabeth. Alles onderstreept enkel haar bijzondere status. Een wonderlijk prachtalbum, waarmee ze definitief haar naam vestigt. Een echte ☆!
Al sinds 1997 is Pan•American het geweldige project van Mark Nelson, die toentertijd nog de zanger en gitarist van het sublieme Labradford is. Het gat dat die laatste groep achterlaat na het uiteengaan in 2001 wordt door hem prettig ingevuld met eigen werk. Met de jaren veranderd zijn muziek, waar ook artiesten als Alan Sparhawk en Mimi Parker van Low, Dave Max Crawford (Poi Dog Pondering), Charles Kim (Pinetop Seven), Steven Hess, Rob Mazurek (Chicago Underground) en anderen aan deelnemen, steeds iets en is Mark Nelson een op zichzelf staande, bijzondere artiest geworden. Hij heeft inmiddels 6 volledige albums uitgebracht, waarvan de laatste White Bird Release alweer van 2009 is. Deze bevat weer die prachtig verstilde muziek, zoals ook te horen op één van zijn sterkste albums Quiet City uit 2004. Het is een prettige mix van ambient, glitch, drones, lichte beats, softnoise, organische en gevonden geluiden. Met gitaar, computer en elektronica weet hij desolate, filmische klanklandschappen te produceren waarin hij zo nu en dan zijn bijpassende fluisterzang ten gehore brengt. Weemoedige, tot de verbeelding sprekende en diepgaande muziek vol wonderschone fluisterpracht. Daarna blijft het dus lange tijd stil.
De kans dat Labradford ooit weer samenkomt is nihil, maar ze zijn qua bezetting niet eerder zo dicht bij die band geweest als op de zevende cd Cloud Room, Glass Room. Dit komt omdat ex-Labradford bassist Robert “Bobby” Donne hieraan als gastspeler heeft meegewerkt. Hij start voor Labradford ooit in Breadwinner en is erna actief met zijn onversneden noise project Cristal. Daarnaast verricht hij hand- en spandiensten voor Spokane en Gregor Samsa en maakt hij deel uit van Aix Em Klemm met Adam Wiltzie (Stars Of The Lid). De eerder genoemde drummer van de buitencategorie Steven Hess, actief in groepen als On (met Sylvain Chauveau), Haptic, Dropp Ensemble, Cleared en Locrain, is ook toegetreden tot Pan•American, waardoor ze nu als duo opereren. Officieel overstijgt de groep nu met de zevende release ook Labradford, die niet verder is gekomen dan zes albums.
Het is hiermee verder de eerste release geworden van Pan•American als band. Nog altijd scheppen ze in de 7 tracks heerlijk desolate klanklandschappen, maar deze zijn door het fantastische drumwerk en de licht dwingende baspartijen concreter, ritmischer, meer organisch en gewoonweg sterker geworden. De structuren die de inbreng van Mark omlijsten neigen daardoor ook weer meer naar de post-rock en ja ook Labradford. Maar de verschillen hiermee zijn ook groot, want de rustgevende invulling van Mark bestaat zoals gewoonlijk uit een spannende mix van minimalistische drones, glitches, neoklassieke elementen, softnoise, ijzige ambient en andere, tot de verbeelding sprekende, ruimtelijke en isolationistische klanken. De muziek weet naast de melancholie van weleer ook een enorme spanning en dreiging te brengen, die tevens vergezeld gaat van een zwoele, nachtelijke atmosfeer. Dat laatste komt ook door de dikwijl op jazz geënte invloeden van de twee andere muzikanten. Op de momenten dat de elektronica de overhand neemt, is het ook meteen meer introvert en Pan•American oude stijl. De afwisseling die ze hier brengen, ook ten opzichte van de vorige werken, is aangenaam en stijlvol. Je moet naast Labradford ook denken aan de muziek van The Caretaker, David Kristian, Fennesz, Biosphere, Stars Of The Lid, Yellow6 en Lawrence English, zij het dat ze een geheel eigen geluid aan de (bewolkte) dag leggen. In de slottrack “Virginia Waveform” nemen de woeste gitaarklanken zelfs de overhand, waarmee het album een ijzersterke afsluiter krijgt. Een fascinerend, essentieel en wonderschoon album!
Ik ben groot fan van het 4ad-label en met name uit het tijdperk 1980-1998; ofwel de tijd dat Ivo Watts-Russell aan het roer staat. Een grote sensatie is het toch wel als onze landgenoten Clan Of Xymox daar de twee albums Clan Of Xymox (1985) en Medusa (1986) vol heerlijk mysterieuze darkwave uit mogen brengen. Hoewel de groep op de eerste, doch geweldige demo Subsequent Pleasures uit 1983 nog Xymox heet en deze naam van 1987-1997 weer gebruikt, om daarna als Clan Of Xymox weder te keren. Naast kopman Ronny Moorings, die nog altijd sterk doorgaat, is het onder meer ook elektronicaspecialist Pieter Nooten die er deel van uitmaakt. Hij doet op de genoemde albums nog mee en tevens op de prachtalbums Twist Of Shadows (1989) en Phoenix (1991). Daarna gaat hij zijn eigen weg, die buiten de geijkte paden om vooral bestaat uit fraaie ambient. Samen met Michael Brook brengt hij daarvoor al in 1987 het sublieme Sleeps With The Fishes, tevens op 4ad. Voor mij nog steeds een monumentaal en toonaangevend album vol abstracte, etherische en bovenal diepgravende ambient. Verder schrijft hij ook nog een compositie voor het album Blood van This Mortal Coil. Hij werkt erna nog regelmatig samen met het andere ex-Clan Of Xymox lid Anka Wolbert, die er het eigen I-Rain label op na houdt, en geeft acte de présence op albums van Stoa en Waves On Canvas. Ik ben Pieter Nooten deels uit het oog verloren nadat hij zich in de jaren 90 op de projecten Cyberia, First Contact en Fingerprince heeft gericht. Jammer voor mij, want vanaf 2002 brengt hij onder zijn eigen naam weer muziek uit, waarvan de eerste twee Arctic (2002) en Ourspace (2006) niet meer verkrijgbaar zijn. Here Is Why (2010) en Surround Us (2012) alsmede de mooie verzamelaar Collected (2008) zijn nog wel beschikbaar; hier ben ik ook weer aangehaakt. Op zijn latere solowerken werkt Pieter (laptop, keyboards, zang) regelmatig samen met cellist Lucas Stam, soms met zangeres Yvette Winkler en live tevens met videokunstenares Miryam Chachmany.
Dit gegraaf in het verleden is allemaal naar aanleiding van de nieuwe dubbel cd Haven, waarop Pieter Nooten een geluid presenteert dat zowel zijn nieuwe muzikale richtingen als het mooiste van zijn oudere werken combineert. De “haven” als vertrouwde en veilige thuisbasis, maar ook als vertrekpunt naar nieuwe, onbekende en onzekere bestemmingen. Het is de derde die hij heeft gecomponeerd met de MacBook Pro. Ditmaal geen zang, beats en cello, maar eigenzinnige creaties die zich ergens op het mistige kruispunt bevinden van ambient, neoklassiek en puur elektronische muziek. Daarmee doet hij zich hier bepaald niet te kort, want hij weet je met zijn muziek bijna 2 uur lang aan de grond te nagelen, in de houdgreep te nemen, te omarmen en intens te roeren. Dit komt met name door het intieme, warme en persoonlijke karakter van de muziek. Het zit vol subtiele dramatiek, waarbij hij nergens verzandt in pathetiek maar je enkel diep weet te raken. De melancholische, verstilde muziek weet als een sluipschutter je ineens te grijpen om vervolgens niet meer los te laten. Pure schoonheid uitgegoten in tot de verbeelding sprekende en tevens confronterende muziek. Op momenten dat je denkt dat het niet nog meer droefgeestig kan worden, wordt het dat toch. Datzelfde geldt voor de pracht, die steeds in overtreffende trap je weet te verrassen en overrompelen. Hij brengt in feite het mysterieuze van This Mortal Coil, de bloedstollende neoklassiek van Deaf Center en Richard Skelton, de rustieke momenten van Clan Of Xymox, de isolationistische ambient van Vidna Obmana, de pianoriedels van Nils Frahm en Harold Budd en de gitaarambient van Michael Brook. Een plaat van nu met behoud van al het goede uit het verleden, wat wil je nog meer? Dat levert een intens en onaards mooi geheel op, waar je als melancholicus gewoonweg niet omheen kunt en wilt. Grandioos! Een serieuze kandidaat voor de jaarlijstjes.
De ietwat mysterieuze Britse groep met gevoel voor overdrijven, veel zelfvertrouwen en media gevoeligheid Public Service Broadcasting start in 2009 en brengt sinds de oprichting de mini albums EP One (2010), The War Room (2012) en Signal 30 (2013) uit. Ze putten hierbij uit archiefmateriaal van onder meer oude publieke informatiefilms en gieten dat in hedendaagse, veelal opzwepende muziek die tot de leftfield categorie gerekend mag worden. Achter deze band gaan J. Willgoose, Esq. en Wrigglesworth schuil, die naast samples ook laptopmuziek, drums, gitaar, theremin en een banjo in de strijd gooien. Live wordt dit met video’s begeleid.
Hun volledige debuut Inform - Educate - Entertain is nu een feit, waarop ze een ambitieuze en haast arrogante stelling innemen. Ze willen namelijk het publiek informeren, onderwijzen en bovenal vermaken. Dan moet je ook van goede huize komen om zoiets te bewerkstelligen. Maar de Britten komen er moeiteloos mee weg. Ter “informatie” introduceren ze hun muziek met de nodige samples en besef van heden en verleden. Qua “educatie” brengen ze een dwarsdoorsnede van de muziek uit de jaren 80 en 90 tot nu, muziek die je wel gehoord moet hebben. En dat gieten ze in een moderne mal die voor de nodige “entertainment” zorgt. Ze laten hier een volslagen unieke kruisbestuiving horen van wave, shoegaze, krautrock, indie, noise, post-rock, funk, plunderphonics, psychedelica, trip-hop, folk, rock en elektronische leftfield. Daarbij dienen namen als Negativland, Kraftwerk, Joy Division, Stereolab, Suicide, OMD, Brian Eno & David Byrne, Depeche Mode, Prince, Public Works en British Sea Power allemaal ter referentie, maar dan wel op afwisselende, veelal gecombineerde en verfrissende wijze en met een gezond gevoel voor humor. Het geheel is ontzettend knap in elkaar gezet en ook nog met de nodige diepgang en experimenten. Toch weten ze dat alles op een poppy en pakkende manier aan de man te brengen, niet zelden gepaard met een verslavende motorik. De lach, de traan en opwinding liggen dan ineens heel dicht bij elkaar. Horen is geloven. Een ijzersterk, ingenieus en eigenwijs prachtalbum!
In 2011, wanneer de retro muziek al flink om zich heen heeft gegrepen, verrast het Britse duo Still Corners op zeer aangename wijze met hun album Creatures Of An Hour, die zo uit de stallen van Creation en 4ad uit de jaren 90 lijken te zijn weggelopen. Dat alles op hedendaagse en eigenzinnige wijze gebracht, maar bij hun mix van droompop, wave en indie moet je wel op nostalgische wijze terugdenken aan de tijd van toen. De etherische, pakkende vocale partijen van Tessa Murray zijn echt een puur genot, maar de muzikale creaties van Greg Hughes mogen er ook wezen. Met zo’n albumtitel is het dan de vraag of ze slechts een eenmalige poging hebben gedaan om dit te bewerkstelligen, al is hun muziek eerder tijdloos en alles behalve vluchtig.
Het bewijs dat ze veel meer in huis hebben wordt op meer dan overtuigende wijze geleverd door hun tweede cd Strange Pleasures. Wat gebleven is zijn die heerlijke droompop met wave en indie invloeden en uiteraard die enigmatische zang van Tessa. Greg, die naar eigen zeggen verandering wil brengen om saaiheid en bloedeloosheid uit de weg te gaan, is iets meer gaan experimenteren met de elektronica. Maar in wezen brengen ze een fraai vervolg op de eerder ingeslagen weg, waarbij de zang al meer dan voldoende is om te overtuigen. Het is wel meer een mengelmoes van vervlogen en moderne muziek geworden. De bovenliggende associatie is mede dankzij de zang toch nog steeds die met de Cocteau Twins. Van de groepen van weleer komen tevens Swallow, Slowdive, OMD, Modern English en The Art Of Noise in mij op, maar er zitten ook zeker elementen van We Fell To Earth, The xx, Tamaryn, Beach House en Violet Indiana in hun muziek besloten. Soms moet je gewoon niet al te veel sleutelen aan een succesvol recept. Je daarom gerust stellen dat dit de ideale weemoedige popband is voor de melancholici onder ons. Het is allemaal ook nog eens bloedstollend mooi en aangrijpend en alleen daarom heeft de groep al een toegevoegde op het hedendaagse muziekaanbod. Vreemde genoegens? Nee, raar is het pas als je hier niets genietbaars aan vindt. IJzersterk tweede album waarop heel veel bijzondere schoonheid te vinden is.