Twee jaar geleden geeft de Welse singer-songwriter Davie Lawson met de cd Konichiwa? (het Japans voor “hallo”) zijn meer dan overtuigende visitekaartje af. Zijn muziek wordt gekenmerkt door eenvoud, maar wel met een enorme impact. Dat komt met name door zijn sterke, sobere gitaarspel en innemende, geknepen stem die zacht is maar toch uit het leven zelf gegrepen lijkt en daardoor een grote indruk achterlaat. Het is even wachten op de opvolger Tree Tumble Wake Mother, maar het is het allemaal waard geweest. Hij trekt de lijn door van zijn debuut, maar het zit simpelweg nog beter in elkaar. De hoofdmoot wordt zoals altijd gevormd door zijn stem en de akoestische gitaar. Hij vult de zang en het virtuoze gitaargetokkel met enige regelmaat aan met piano, bas, orgel en mondharmonica. Zijn muziek houdt het midden tussen blues, singer-songwritermuziek en folk, terwijl de aangenaam droefgeestige atmosfeer vooral de pure blues uitademt. Davie zingt oprecht over zaken uit het echte leven en weet daarmee denk ik vele luisteraars aan zich te binden. Hoewel zijn stijl uniek is vind je enige herkenningspunten van Charlie Parr, John Martyn, Bob Dylan, Nick Drake, Jeff Buckley, Robert Johnson, Jackson C. Frank, Devendra Banhart en Bon Iver terug in zijn muziek. Het zijn stuk voor stuk tijdloze songs, waarvan je geen seconde wilt missen. Schoonheid dient zich zelden puurder aan dan op dit magnifieke album.
Laat ik voorop stellen dat ik zelden van Nederlandstalige muziek houd. Britten bijvoorbeeld weten niet anders dan dat hun muziek in hun moerstaal wordt gezongen, maar op de één of andere manier vind ik als ik Nederlandse teksten hoor het vaak onbenullig klinken of het leidt door de directe confrontatie met je eigen taal de aandacht van de muziek af. Er zijn zeker uitzonderingen op te noemen, want er staat hier van Brel, De Dijk, Acda & De Munnik, Spinvis, Doe Maar, De Kift en De Anale Fase echt wel wat in de kast. Ik ben dan eerlijk gezegd toch wat huiverig voor de cd Prettige Vooruitzichten van Rick Treffers, die hiervoor als zanger van het Engelstalige en geweldige Mist al mooie muziek heeft afgeleverd en een solo album. Met die eerste solo cd uit 2007 kan ik ook al niet zo goed uit de voeten, zonder er iets echt tegen te hebben; het heeft niets met hem te maken. Rick weet me echter vanaf de eerste noot heel prettig te verrassen met zijn tweede soloalbum. De toon van de cd is zeer melancholisch, maar met heel veel relativerende humor waardoor het niet zwaar op de maag gaat liggen. Ook dat aspect komt terug in de teksten, die gewoonweg uitstekend in elkaar zitten. De reden waarom deze cd er wel meteen lekker ingaat is mede te danken aan de sterke muzikale omlijsting en de dikwijls geniale vondsten, zoals het ineens opduikende Spaanse stuk met beats in “Fuck Het Verleden” of de dichtkunst van Serge Van Duijnhoven in “Zomaar Goed”. De cd gaat over de hunkering naar een warm land en een milde aanklacht tegen Nederland (“Ik Mag Niet Klagen”, “De Plattegrond Van Nederland”), maar ook de liefde ervoor. Hij weet zijn ongenoegen voor bepaalde zaken in Nederland door zijn ironisch gezongen “olé olé olé” in het nummer “Plattegrond Van Nederland” wel heel scherp te combineren met zijn roep naar zijn liefde Spanje. Rick brengt aan de ene kant serieuze liedjes die heerlijk droefgeestig en wonderschoon zijn en wisselt dat op prettige wijze af met humoristische, frivole songs als “Dag Lekker Dropje”. Regelmatig duiken er ook leuke, poëtische of spitsvondige woordspelingen op in de teksten. De verrassende arrangementen worden naast Rick ingekleurd door onder meer Henk Hofstede en Rob Kloet van The Nits, Patrick Votrian (De Kift, Kyteman), Bloem de Ligny (horen we die eindelijk ook weer eens!), Theo Sieben (Paulusma, Orkater) en Ivar Vermeulen (Mist). In “Ik Mag Niet Klagen” dringt zich even de invloed van Spinvis op, maar heerlijke Wire-achtige elektrische gitaar doet dat snel vergeten. Ook op de rest van het album wordt duidelijk dat Rick vooral klinkt als Rick. Zijn stemkleur zit tussen de herfst en de lente in en klinkt eigenlijk altijd aangenaam in de oren, dat is bij Mist zo en dat is hier niet anders. Indie, wave, cabaret, flamenco, Americana en chansons, het passeert allemaal op eigenzinnige wijze de revue. De muziek heeft eerder een Spaans, Brits, Frans of wellicht Amerikaans karakter, terwijl de teksten niet meer Nederlands kunnen. Dat tweeledige duidt wellicht ook de gevoelens van Rick. Als pure melancholicus is “Steeds Jonger”, met het prachtig tranentrekkende vioolspel van Constantijn van de Wetering, hier favoriet maar op de voet gevolgd door veel van de andere songs. Nederland heeft er een veelzijdig, origineel en dijk van een album bij.
In 2008 haalt het sublieme Kranky label een hele grote vis binnen met de uit San Francisco afkomstige artiest Jonas Reinhardt. Zijn naam maar met name zijn muziek verraden toch ook zeker een Duitse achtergrond. Hij weet op de platgetreden paden van door zeventiger jaren geïnspireerde synthesizermuziek toch een origineel geluid aan de dag te leggen. Oude tijden herleven op zijn gelijknamige cd, zonder gedateerd te klinken. Hij combineert analoge synthesizers met oude drummachines, waarmee hij zeer ruimtelijke composities maakt. Deze hebben een enorme diepgang, ook emotioneel, en door de warme klanken hebben ze inderdaad iets menselijks. Hierdoor mengt hij allerlei grillige geluiden en produceert hij met de drumcomputers een vette motorik. Dat geeft een angstaanjagend en warm effect tegelijkertijd. Synthesizermuziek in een fris en bovenal prachtig jasje. Twee jaar later trekt hij die lijn gewoon nog vetter door op zijn Powers Of Audition. Een groot verschil is dat hij nu ook echte drums, gitaren, bas en hoorns toevoegt aan het toch al levendige geluid. Hij wordt hierbij geholpen door Phil Manley (die schijnbaar ook zingt), Diego González, Damon Palermo, Matt Waters en Kurt Schlegel. Daar waar op zijn debuut nog de new age op de loer lag, gaat hij hier wat wilder uit zijn bol en opereert hij meer als een echte band. Het is nog steeds een kosmisch gebeuren, maar de alsmaar doorhamerende motorik samen met de instrumenten zorgen tevens voor een meer rock georiënteerd geluid. De momenten dat hij er wel een dromerig en zweverig geheel van maakt, vormen juist weer heel bijzondere en meestal bezwerende rustpunten voor de geweldige ritmemachine weer opgang komt. Maar het merendeel kenmerkt zich door het ambivalente van tegelijkertijd rust en (kraut)rock en dat pakt geweldig uit. Ambient, krautrock, experimentele muziek en pure synthesizermuziek worden tot één onnavolgbare hybride gevormd. De muziek is overigens altijd diepgaand, warm en emotioneel waardoor het je weet te grijpen en mee te sleuren op een fantastische trip. De visie van Jonas dat muziek een spirituele conversatie tussen mens, machine en de extatische waarheid van het chaotische onbekende moet zijn blijft daarmee ook helemaal overeind. Jean-Michel Jarre ten tijde van Zoolook, Neu!, Kraftwerk, Vangelis, Tangerine Dream, Ash Ra Temple, Harmonia, Raglani, Can en Brian Eno zijn allemaal als inspiratiebron aan te wijzen, waarbij Jonas geen moment inboet aan originaliteit. Synthesizermuziek is zelden zo ontwapenend, menselijk, opzwepend en uniek geweest als wat Jonas hier laat horen. Op meesterlijke wijze schept hij zijn eigen imponerende wereld.
Soms is het verhaal achter een band net zo intrigerend als de muziek. Neem nou het Deense My Bubba & Mi, waarvan de leden toevallig bij elkaar komen te wonen en tevens door stom toeval ontdekt wordt door een Italiaanse caféhouder die op vakantie in Denemarken is. Hij wordt direct gegrepen door de hypnotiserende klanken van 3 jonge dames die er voor een klein publiek optreden. De Italiaan nodigt de 3 uit om in Italië te komen optreden, het blijft een Italiaan, waar ze gretig op in gaan. De tweede uitnodiging daarna is om er in de brandende zon van Zuid-Italië hun debuut op te nemen. Dat debuut is er en heet uiteraard How It’s Done In Italy. My, Bubba (Guðbjörg) en Mia, van origine uit Zweden, IJsland en Denemarken, zijn dames die pastorale songs maken. Hierbij is de harmonieuze samenzang een lust voor het oor. Ze plukken daarbij wat aan de gitaar en mandoline, blazen op een mondharmonica, toetsen op orgel, piano en synthesizer en maken her en der gebruik van samples. Het langdurig samen zingen in slaapkamers en keukens werpt duidelijk z’n vruchten af. Weliswaar klinkt het heel lo-fi, maar tegelijk ook heel ongedwongen en daarmee heel natuurlijk. Het betoverende zit hem in de harmonie en de eigenzinnige freak folk-achtige aanpak, maar dan zonder rare fratsen. De muziek bestaat verder uit bekende bluesloopjes, smaakvolle altcountry en beklijvende popmuziek. Altijd voorzien ze dit van hun hemelse zang. Alles is zo oorspronkelijk dat ik of heel veel kleine associaties kan opnoemen of dat gewoon zoals in dit geval maar nalaat. Groots door alles klein te houden. Je kunt het gratis downloaden of nog beter voor een gunstige prijs kopen. Krijg je er ook nog eens een met de hand gemaakte hoes omheen. Magistraal debuut!
Het Canadese Picastro is mijn eerste kennismaking met het geweldige Britse Monotreme label. Dat is ten tijde van hun debuut Red Your Blues (2004), waarop ze zich ontpoppen als een verrassende band die postrock, neoklassiek, folk en experimentele muziek versmelten tot een prachtige hybride. De groep wordt aangevoerd door de lijzig zingende Liz Hysen (gitaar, piano Na het debuut wordt de band meer en meer een met klassiek gespekte avantrock-band. Metal Cares (2005) en Whore Luck (2007) onderstrepen de klasse van de band maar eens te meer. De laatste is op het Polyvinyl label uitgebracht. Ze keren met de vierde cd Become Secret weer terug op Monotreme en Liz lijkt gedrevener dan ooit. In het verleden heeft ze onder meer met Rachel McBride en Owen Pallet gewerkt. Nu zijn dat losse en min of meer vaste leden als de zangers Tony Dekker (Great Lake Swimmers), Brendan Massei (Viking Moses) en Colleen Kinsella (Fire On Fire) en tevens Stephanie Vittas (cello), Jim McIntyre (zang), Dwayne Sodahberk (elektronica) en Greg Weeks (gitaar, elektronica). Ook al klokt het album net onder de 30 minuten, het is een langdurig, meeslepend en intens genot wat ze hier laten horen. Uiterst droefgeestige, door strijkers gestuurde rock die inslaat als een bom. Door de ijle zang van Liz en de langzaam voortslepende piano- en celloklanken krijgt het geheel bovendien iets spookachtigs en duisters. Verder doet de muziek dikwijls ook op mistroostige wijze filmisch aan. Ergens tussen Amber Asylum, Shannon Wright, Cerberus Shoal, Dirty Three, Codeine, Rachel’s, Espers, Faun Fables en de soundtracks van Nick Cave & Warren Ellis. Dat ze wonderschone pracht weten te fabriceren zal in ieder geval geen geheim worden. Hun beste tot nu toe!
De Deense band Alcoholic Faith Mission start in 2006 in Brooklyn (New York). Hier lopen Thorben Seierø Jensen and Sune Sølund tegen een bordje aan waarop “Apostolic Faith Mission” staat, die ze wellicht enigszins beneveld weten om te buigen naar hun huidige bandnaam. In dat jaar brengen ze ook het debuut Misery Loves Company uit, waarbij de drank ook een rol heeft gespeeld. Wel levert dat vergelijkingen op met José Gonzales en Iron & Wine. Vorig jaar komen ze met hun tweede cd 421 Wythe Avenue, die dan weer vernoemd is naar het adres waar ze in Brooklyn gewoond hebben. Hierop laten ze meer elektronische elementen horen naast hun door folk ingegeven muziek. Daarmee laveren ze op uiterst melancholische en toch warme wijze van laptop folk en indie naar onder meer shoegazermuziek, Americana en breekbare singer-songwritermuziek. De samenzang die regelmatig te horen is gooit ook hoe ogen. Nu is er alweer het derde album Let This Be The Last Night We Care. En wederom laten ze een ander geluid horen. Ze opereren ditmaal ook echt als een vijfkoppige band. De groep legt een veel frivoler en meer open geluid aan de dag. Naast bovengenoemde stijlen zit er ook cool wave bij en die typische georkestreerde popelementen van Efterklang en The Arcade Fire. Alles wordt naar een hoger, minder ingetogen niveau getrokken waardoor de intimiteit verloren gaat. Daarvoor in de plaats krijg je wel uitbundige songs van hoog niveau met wederom fraaie samenzang van man en vrouw. Hiermee weet de band je eigenlijk voor de derde keer op rij te verrassen. Andere invloeden zijn Bon Iver, Blindfold, Broken Social Scene, Múm, The Big Pink en Sigur Rós. Zet de drank maar weer klaar, want ook dit album is meer dan geslaagd te noemen.
Tussen liefhebbers van rock en die van traditionele jazz zit vaak maar een klein deelgebied, waartoe bijvoorbeeld Jagga Jazzist, Bohren Und Der Club Of Gore en Kieran Hebden & Steve Reid behoren. Ook het Britse Polar Bear, het project van drummer Sebastian Rochford, kan je daartoe rekenen. Naast termen als eclectisch, intrigerend, innovatief, complex en doorwrochten zijn ook schoonheid en toegankelijkheid van toepassing op Polar Bear. Er zijn overigens veel beren op weg, dus vergis je niet in Seabear, Minus The Bear, Volcano The Bear, Grizzly Bear, Bear In Heaven of zelfs The Polar Bear Club. Ik heb het hier echt over het superproject van Sebastian die met mede Acoustic Ladyland-lid Pete Wareham (tenorsax) en verder Mark Lockheart (tenorsax), Tom Herbert (contrabas) van The Invisible en John Burton aka Leafcutter John (elektronica, gitaar) een ijzersterk team vormt. Hun vierde cd Peepers opent meteen fel met rockpatronen en staccato saxpartijen, die zo zou passen tussen de avant-rock van Uz Jsme Doma. In het daarop volgende “Bap Bap Bap” blijkt ook wel de humor en speelsheid van de band. Daarna gaat de geoliede maar improviserende machine alle kanten uit, als wuivend riet door een steeds draaiende windrichting. Van de bekende jazzstijlen als bebop, free jazz, impro jazz, post jazz, nu jazz en cool jazz tot ambient, filmische minimal music en ongetemde rock. De momenten dat het iets te kakofonisch wordt worden afgewisseld met rust en als dat begint te jeuken krijg je pardoes weer iets dynamisch en virtuoos voorgeschoteld. Acoustic Ladyland, John Zorn, Jaga Jazzist, Portico Quartet, Miles Davis, Kieran Hebden & Steve Reid, William Hooker, Basquiat Strings en Kammerflimmer Kollektief lijken allen hun sporen te hebben achtergelaten in de veelzijdige muziek. Meesterlijk album, dat ook mensen met minder zitvlees kan behagen.
Het begint te wennen dat er uit IJsland heel veel bijzonders komt, zowel op neoklassiek, rock als popmuziek gebied. Ölvis, Stafræn Hákon, Sigur Rós, Múm, Blindfold, Mugison, Benni Hemm Hemm, We Made God, Hjaltalín, Ólafur Arnalds en Jóhann Jóhannsson zijn zo maar even een paar namen die dat kunnen onderstrepen. Sindri Már Sigfússon is ook zo’n talent uit het koude Noorden. Hij heeft hand- en spandiensten verricht voor Grizzly Bear, maar debuteert in 2007 met zijn eigen beer als Seabear met zijn sterke, warme cd The Ghost That Carried Us Away. Vorig jaar komt hij ineens terug als Sin Fang Bous, een nog frivoler en gevarieerder project waarop hij folk-pop afwisselt af met IDM, new wave, speelse beats en lichte experimenten. Het blijkt niet het einde van Seabear in te luiden, een project waar hij overigens al sinds 2000 mee bezig is, want nu is de tweede cd We Built A Fire uit. Hierop gaat hij met een klein leger aan muzikanten te werk, zonder de intieme sfeer van de voorganger los te laten. Örn Ingi Ágústsson, Guðbjörg Hlín Guðmundsdóttir, Ingibjörg Birgisdóttir, Kjartan Bragi Bjarnason, Halldór (Dóri) Ragnarsson (ex-Kimono) en Sóley Stefánsdóttir (binnenkort met een eigen album) geven allen acte de présence en verrijken de zang en gitaarklanken met piano, xylofoon, triangel, elektronica, blazers, strijkers, drums, achtergrondzang en ga zo maar door. Het is een innemende mengelmoes geworden van singer-songwritermuziek, indiepop, folk, wave en IJslandse magie. De muziek is warm en toegankelijk maar ook uiterst melancholisch. De vaak voorkomende meerstemmige zang in de rijk gedetailleerde songs zijn werkelijk een lust voor het oor. De muziek is soms heel ingetogen en dan weer uptempo en uitbundig zonder ooit hard te worden. Denk aan een stemmige hybride van Iron & Wine, Múm, Paul Simon, Sufjan Stevens, Ölvis, Benni Hemm Hemm, Borko, Arcade Fire en Elliott Smith. De cd is bijzonder fraai en komt als de eerste lentebries na een koude winter welkom aanwaaien.
In 2006 besluit de dromerige Schotse rockformatie The Delgados ermee op te houden. Dat biedt medeoprichtster en zangeres Emma Pollock al snel de ruimte om haar eigen albums te maken. Haar eersteling Watch The Fireworks brengt ze in 2007 uit op 4ad. Het geluid is wat lichtvoetig, maar blijft alleen al door Emma’s heerlijke heldere en tegelijk felle zang en de uiterst pakkende melodieën huizenhoog overeind. Het zal de fans van The Delgados kunnen bekoren, hoewel ik denk dat ze met dat album ook een heel nieuwe groep luisteraars heeft aangeboord, met name uit de moderne folkhoek. Nu komt ze met haar tweede cd The Law Of Large Numbers. De sfeer is duidelijk meer melancholisch met zelfs op de achtergrond een vleugje gotiek. Ze maakt overigens totaal geen ontoegankelijke muziek, integendeel. Haar muziek komt namelijk ergens uit tussen indiepop, folk, rock en singer-songwritermuziek. Vreemd genoeg past dit album eigenlijk beter op het 4ad label, maar juist nu keert ze terug naar haar thuisbasis Chemikal Underground. De titel van haar nieuwe cd lijkt te verwijzen naar het feit dat ze met haar vorige band hoge ogen gooit en nu niet kan doorbreken met toch een prachtalbum achter haar naam. Maar de wet van de grote getallen is onverbiddelijk. Wellicht dat het na dit album beter gaat, want echt elke song is raak. Haar geweldige zang komt mooi uit de verf tussen de pompende, soms richting wave koersende bassen en stevige rockpatronen met daarnaast klassieke, folk- en jazzelementen. Wire-achtige hooks, Belly/Tanya Donelly-eske droefgeestige poprock, bepaalde rockpatronen van de Pixies en folk à la Simone White weet ze allemaal te gebruiken in haar pakkende, emotioneel geladen en bovenal eigenzinnige sound. Ze levert liedjes die zich snel in je kop nestelen om niet meer weg te gaan. Hoewel de muziekwetten ondoorgrondelijk zijn, is dit een wonderschone cd die moet kunnen scoren.
Na hun zevenjarig bestaan kondigt het Amerikaanse elektro-noise duo Yellow Swans in 2008 doodleuk aan dat ze ermee ophouden. Dat ze ondertussen wel een album aan het maken zijn is een verrassing te noemen, zeker nadat ze al een album met de naam At All Ends in 2007 hebben afgeleverd. Toch is er nu een vervolg op het prestigieuze Type label getiteld Going Places. Peter Swanson en Gabriel Mindel hebben nog eenmaal de krachten gebundeld, hoewel snel duidelijk wordt dat dit hun minst lawaaiige en meest sfeervolle noiseplaat is geworden. Tevens leggen ze een iets ander geluid aan de dag. Naast hun gruizige drones, noise en ambient lagen voegen ze namelijk ook harmonieuze lagen, organische klanken en licht pulserende ritmes toe. De muziek krijgt hierdoor veel meer diepgang en is tegelijk zeer dromerig te noemen. De noiselagen klinken als fijngemalen elektronische en metalige klanken, die ze als ambient aan de man proberen te brengen. Als je het volume flink omhoog schroeft hoor je dat de kakofonie in de nummers zich op microniveau voltrekt, waardoor ze bij normaal volume de boel niet dichtgooien maar wel een enorme impact hebben. Door de toevoeging van stemflarden en piepende gitaarklanken op de toch al duistere ondergrond doet het geheel ook dikwijls behoorlijk spookachtig aan. Eigenlijk weten ze je gewoon met de zes tracks drie kwartier lang aan de grond te nagelen. Helemaal overweldigend is het negen minuten durende slotnummer “Going Places”, waar ze een soort noise-requiem laten horen. Desolaat en wonderschoon! Ik denk dat de Yellow Swans met dit album zowel fans van labels als Kranky en Type kunnen bekoren als van liefhebbers van industrial, noise, wave en dark ambient. Je kunt hun muziek ergens plaatsen tussen Troum, Aube, Flying Saucer Attack, Richard Skelton, Seasons (pre-din), Zelienople, Xela, Birchville Cat Motel, Svarte Greiner, Tim Hecker en Brian Eno. Een prachtige zwanenzang heet dat dan.