Als trouwe luisteraar, fan of muziekfreak trap je er nog wel eens in. De band is bezig met een drieluik, dus het zal wel interessant zijn en/of als je één deel hebt moet je de rest ook hebben. Ik zweer het als ik ooit een band begin dan maak ik een tienluik of maak daar gerust een twintigluik van. In het geval van de groep die zichzelf hoofdstuk noemt is het geoorloofd om met boekdelen te komen. Bovendien maakt Chapter ook muziek die er echt toe doet. Net als bij een echt boek moet je er in het begin even inkomen. Bij One (Prologue) uit 2004 ben ik geprikkeld maar van een echte vonk is nog geen sprake. Deel 2 Two [The Biographer] uit 2007 is het wel raak, het nodigt uit tot verdere verdieping en lezen. In het boekje vind je namelijk korte biografieën van de hoofdzakelijk dode (verzonnen) mensen waarnaar de nummers zijn vernoemd. Ook de teksten zijn dikwijls daarvan afkomstig. Nu zijn de multi-instrumentalisten Thierry van Osselt (Tim Patience Watch, Honey for Petzi, Sinner DC, Shora, Knut, Time To Burn, Kruger) en Alexander J.S. Craker (Vargas, Demilliac, Tim Patience Watch) terug met hun derde cd Three, die de ondertitel “A Collection Of Monsters” draagt. Bij de eerste luisterbeurt is het meteen duidelijk dat ze flink gegroeid zijn. Ze brengen weer hun typische folkrock met landerige, veelzijdige zang en vullen dat aan met post-rock en library-rock elementen. Alleen is elke song nu raak en uitstekend opgebouwd; net als het goede, interessante boek waar je nu helemaal door gegrepen bent. Ze brengen tijdloze muziek waarbij de akoestische gitaar en zang de dienst uitmaken, maar aangevuld met allerhande instrumenten en elektronica. De atmosfeer is herfstig donker met een flink brandend haardvuur op de achtergrond. Het melancholische geheel doet denken aan David Sylvian, Fink, Red House Painters, Sun Kil Moon en Pinback. Dit is zonder meer het allerbeste hoofdstuk tot nu toe.
De broers Caleb en Ashton Bird vormen samen de band Tweak Bird en zijn een olijk duo. Zoals echte broers hebben ze regelmatig hun ruzietjes, ook op het podium, maar verder kunnen ze zeker muzikaal gezien door één deur. Caleb brengt vooral gitaarpartijen en zang en Ashton de drums en zang. Op hun gelijknamige debuut weten ze met z’n tweeën toch door te gaan als volwaardige stonerrockband, dat terwijl het label in opkomst Souterrain Transmissions eerder vooral hoge ogen gooit met folkmuziek. De pakkende muziek kent verder geen stoere zang, maar meer een opgefokte indiesound. Tussen de bedrijven door zorgen de saxofoon, dwarsfluit en allerhande experimenten, al dan niet door gasten, voor de nodige variatie. Het is een moddervet, ongecompliceerd geluid dat de twee heren hier laten horen, opgeleukt met psychedelische en experimentele elementen. Zoals de hoes al doet vermoeden, beide met ontbloot bovenlichaam maar wel met bril en indianentooi en op een motor, heeft het ook wel een behoorlijk nerdy en freaky gehalte. Ja ik drink melk, maar wel uit een vies glas, zoiets. En dat is nou precies hetgeen wat de muziek totaal ontwapenend, fris en uniek maakt. Daarmee komen ze uit op een fijn midden tussen Black Sabbath, Mars Volta, Queens Of The Stoneage, Melvins, Nomeansno, Godheadsilo, Moistboyz, Kyuss, Ween en Wooden Shjips. Rare, ruige en rauwe muziek voor vreemde vogels. Die 27 en een halve minuut, want zolang duurt dit schijfje, zijn echt voorbij eer je er erg in hebt. Heel sterk!
“Women!”, is met genoeg ergernis in je stem zó lekker om te zeggen als je alle vrouwen even over één kam wilt scheren (nee heeft niets met overtollig haar te maken) als het om irritante eigenschappen gaat. Ook uit de Canadese serie “Kids In The Hall” zit een uitspraak: women, you can’t shoot them all and you can’t send them all to Canada”. Toch zijn het nota bene 4 mannen uit Canada Patrick Flegel (zang/gitaar), Matt Flegel (bas/zang), Chris Reimer (gitaar/zang) en Michael Wallace (drums) die hun in 2007 opgerichte band Women hebben genoemd. Ze nemen samen met labelgenoot Chad VanGaalen hun gelijknamige debuut op, waarvan de lol me eigenlijk ontgaat. Het is een rammelende, onsamenhangende plaat geworden. Een beetje huiverig ben ik dan ook bij hun tweede cd Public Strain, maar dat blijkt nergens voor nodig. Ze werken wederom samen met Chad VanGaalen maar hebben nu duidelijk meer nagedacht over de opbouw. Sterker nog, deze is hier ijzersterk. Ze openen in de eerste paar nummers met gruizige folkpop die wel wat van de Beach Boys uit hun beste periode weg hebben, maar ook met de naïviteit van Syd Barrett, de psychpop van Deerhunter en naar het midden toe zelfs met wat spacegeluiden van Spacemen 3. Die gaan halverwege de cd over in die typische noise van Trumans Water en vervolgens de dissonante gitaarsongs van Sonic Youth, waarbij de psychedelica gehandhaafd blijven. Een paar songs voor het eind schakelen ze dan langzaam weer terug. Je wordt als vanzelf meegezogen in dit uiterst pakkende en afwisselende plaatje. Wat een verschil met het debuut en los daarvan gewoon een subliem, psychedelisch rockalbum.
Als de vrouw een instrument zou zijn, dan is ze een cello. Ik houd zo van het geluid uit dat instrument en zeker als het door een artieste als Hildur Gudnadóttir wordt bespeeld. Want, zo vind ik, het instrument is in het leven geroepen om er uiterst melancholische klanken mee te produceren en niets anders. Hildur Ingveldardóttir Guðnadóttir, zoals ze voluit heet, weet dat als geen ander. Naast haar hand- en spandiensten voor Stórsveit Nix Noltes, Pan Sonic, The Knife, Wildbirds & Peacedrums, Múm, Angel, Skúli Sverrisson, Hilmar Jensson, The Hafler Trio, Jóhann Jóhannsson, Nico Muhly, Valgeir Sigurðsson, Schneider TM, BJNilsen en Stilluppsteypa, is ze ook solo actief. Vorig jaar levert dat haar prachtige cd Without Sinking op. Maar in 2006 heb ik al een eerder werk van haar op de kop getikt, al noemt ze zich daar nog Lost In Hildurness. Die cd Mount A, uitgebracht op het 12 Tónar label, is van een onaardse pracht. Hieruit hoor je niet alleen haar ervaring uit al haar vooral experimentele projecten terug, maar ook en vooral hoe zij harmonieuze en bloedstollend mooie droefgeestige sferen weet neer te zetten. Naast de cello zet ze hiervoor de viola da gamba, citer, stem, morin khuur, piano, vibrafoon en gamelan. De desolate setting die neerzet is buitengemeen intiem en confronterend. Ze weet je continu naar adem te laten happen doordat ze je bedelft onder haar immens wonderschone en ontroerende geluid. Denk aan de mooist denkbare combinatie van David Darling, Jóhann Jóhannsson en Valgeir Sigurðsson en je komt in de buurt. Welnu, die nu niet meer verkrijgbare cd is nu op het prestigieuze Touch heruitgegeven (en geremasterd) onder haar eigen naam (is ook wel zo praktisch in je platenkast). Het is gewoon te mooi om waar te zijn.
De Londense gitarist, pianist en componist James Blackshaw heeft met zijn 29 jaar al een imponerend oeuvre op zijn naam staan. Hij heeft in 5 jaar tijd 7 soloplaten plus een live cd gefabriceerd die van hoog niveau zijn. Zijn favoriete instrument op zijn releases is toch wel de gitaar, waarmee hij de meest wonderlijke, emotionele en bloedstollend mooie klanken tevoorschijn weet te toveren. Hij is een ware virtuoos. De veelal lange composities die hij hiermee maakt doorkruizen folk en minimal music en leveren hem vergelijkingen op met Jack Rose, Nick Drake, Robbie Basho, John Fahey, Bert Jansch, Sir Richard Bishop en ga zo maar door. Hiervoor is de jonge Brit actief in punkbandjes, maar op een gegeven moment is zijn liefde voor de muziek van John Fahey en Robbie Basho groter en maakt hij de overstap. Daarnaast maakt hij deel uit van Current 93, Brethren Of The Free Spirit (duo met Jozef Van Wissem) en de liveband van Pantaleimon. Door de jaren heen groeit hij van een gitaarspeler uit tot een volwaardig componist die meerdere elementen incorporeert, wat onder meer de komst betekent van strijkers en piano. Dat alles geeft zijn muziek nog meer diepgang, zonder dat zijn oude werk verbleekt. Zijn vorige cd The Glass Bead Game verschijnt op Michael Gira’s Young God label, nadat hij hiervoor op labels als Tompkins Square, Celebrate Psi Phenomenon, Static, Digitalis Industries, Important Records en Static materiaal heeft uitgebracht. Nieuw op dat album uit 2009 is de inzet van gasten op klarinet, fluit, viool, cello en klassieke zang. Dit levert een weergaloos resultaat op die van een uitzonderlijke schoonheid is. Op zijn nieuwe, achtste studio album All Is Falling trekt hij die lijn moeiteloos door, zij het met een nieuwe set gasten. Ditmaal zijn het Charlotte Glasson (viool, fluit, alt sax, klokkenspel), Fran Bury (viool, zang) en Daniel Madav (cello) die mogen aantreden. James tokkelwerk is altijd al fenomenaal, maar deze keer neemt hij naast de gebruikelijk instrumenten als piano, klokkenspel, stem en percussie de 12-snarige elektrische gitaar ter hand. Wat hij hieruit weet te toveren valt met geen pen (of toetsenbord) te beschrijven. Het zijn in feite hypnotiserende mantra’s die wisselend filmisch, etherisch, organisch en psychedelisch zijn. Daarnaast krijg je de prachtige inkleuring door vooral strijkinstrumenten die het geheel nog een orkestraal, klassiek vernis geven. De repeterende klanken veranderen steeds langzaam van karakter en sluipen naar het verbluffende eindresultaat toe. Naast bovengenoemde invloeden zitten er ook elementen in van Arvo Pärt, Steve Reich, Gavin Bryars, Erik Satie, Peter Broderick, Max Richter, Richard Skelton, John Adams en Philip Glass. James Blackshaw heeft een weergaloos album gemaakt dat weet te ontroeren en te biologeren en ook nog eens van een onaardse schoonheid is. Meesterlijk!
Sean Carey of voor de leuke woordspeling solo opererend als S. Carey is Bon Iver bandlid van het eerste uur. Eigenlijk is hij een afgestudeerd klassiek percussionist met een hang naar jazz, waarmee ik aan wil geven dat het in feite merkwaardig is om hem in een rockband aan te treffen. Tijd voor een soloplaat zou je zeggen. En inderdaad is die er nu, getiteld All We Grow. In tegenstelling tot de frontman Justin Vernon van Bon Iver hier geen verhalen over eenzaam en zelfkastijdend naar een wak staren in het bos en daar al navelstarend inspiratie opdoen, maar gewoon overduidelijk een talent dat zijn eigen werk ten gehore wil brengen. Er zijn zeker raakvlakken met Bon Iver, al is het alleen al de hoge, zachtaardige zang. Carey zoekt meer de singer-songwriterkant op waarbij invloeden uit de jazz, minimal music, neoklassiek, folk, rock, lichte experimenten en traditionele muziek een duidelijke rol spelen. Zijn veelal etherische zang, soms opgewaardeerd tot koorzang, gaat vergezeld van pianopartijen, akoestische en elektrische gitaren, innemende percussie, strijkers en andere geluiden. Het levert fragiele, melancholische muziek op met enkele scherpe randen die het midden houden tussen bands en artiesten als Soft Crest, Spokane, Rivulets, Mark Kozelek/Sun Kil Moon, Steve Reich, Nick Drake, Ben Christophers, Sam Amidon, Sufjan Stevens, Bill Evans en Talk Talk’s Mark Hollis. Het is al met al een zeer breekbaar, tijdloos en wonderschoon geheel geworden. Een cd om bij weg te dromen.
De Nederlander Lajos Ishibashi-Brons (getrouwd met een Japanse), die Groningen voor Tokio heeft verruild en daar aan de universiteit verbonden is, heeft een filosofie achtergrond. Dat heeft wellicht meegespeeld in het starten van een tot de verbeelding sprekende improvisatieband, die ook nog eens met een symbool aangeduid wordt. |˟˟⌡ is dat project geworden, maar we mogen gewoon Gate zeggen. Op zijn eerste cd No Exit, waaraan al een aantal cd-r’s vooraf gaat, improviseert hij simultaan met diverse instrumenten. Het levert een geheel op dat op redelijke harde wijze laveert tussen jazz en noise, maar waar eveneens drones, industriële en traditionele Mongoolse muziek de kop opsteken. Ondanks dat Spinoza ons al wijst op het feit dat vrijheid een illusie is, maakt Lajos vrije muziek. Binnen de illusie van de vrijheid heb je wel de keus te stoppen of door te gaan of ineens een andere weg in te slaan. Lajos ziet de vrije muziek dan ook als een middel en niet als doel om je uit te drukken. Lajos bedient de 7-snarige bas, gitaar, sousen, electrische morin khuur, zarazara, diverse effecten en andere lawaaimakers. Eind vorig jaar voegt de Japanse (blaas)muzikant Taka zich bij het project. Met zijn saxofoons, fluit, ryuuteki (drakenfluit), recorders, fluitjes en didjeridoe brengt hij een nieuw spectrum aan geluiden met zich mee. De tweede cd Iterations is nu een feit. Deze ligt in het verlengde van de eerste, zij het dat deze subtieler is en minder hard. De vrije muziek meandert door landschappen vol jazz, noise, drones, doom, industrial en Japanese traditionele muziek. Zeg maar op ongedwongen en breekbare wijze ergens tussen Sun Ra, God, Peter Brötzmann, Asva, Merzbow, Bohren & Der Club Of Gore, John Zorn, Pat Metheny en traditionele Japanse, Mongoolse en Tuvaanse muziek. Ontwapenend vrij, intrigerend en heel bijzonder.
De Amerikaanse zangeres en muzikante Nika Roza Danilova heeft een achtergrond als operazangeres, maar is zich gaan verdiepen in de meer industriële, avant-gardistische en gotische muziekwereld, zonder daarbij de popmuziek te mijden. Hieruit heeft ze haar kenmerkende stijl ontwikkeld. Dat doet ze onder haar nom de plume Zola Jesus. Hiernaast is ze ook terug te vinden in het project Former Ghosts, samen met Xiu Xiu frontman Jamie Stewart. Na haar debuut maakt ze een epee Stridulum, die nu als full-length cd Stridulum II wordt uitgebracht en uitgebreid is met 3 extra nummers. De stem van deze bijna 21-jarige is duidelijk haar grootste wapen; deze is hol, groots, scherp, gotisch en meeslepend en weet je bij de lurven te grijpen. De licht bombastisch elektronische omlijsting, die ook industriële, no-wave, new wave, ambient, klassieke, noise en psychedelische invloeden verraadt, is behoorlijk catchy en mag er ook zeker wezen. De muziek heeft ook iets desolaats, nachtelijks en laidbacks, waardoor het ook een mysterieus randje krijgt. Het heeft dat fijn desolate geluid van Fever Ray met het bijtende van Siouxsie, het bedrukte van New Order, het donkere synthpopgeluid van Cold Cave en het duistere elektronische van Soap&Skin. Dat bij elkaar genomen maakt dit tot een geweldige en bijzondere release.
Draff Krimmy is zo’n project waar het label band eigenlijk niet op past. Veel meer is het project waarbij verschillende muzikanten vanuit 8 verschillende landen met elkaar op muzikale wijze communiceren; taal als muziek en omgekeerd. Het zijn de artiesten dan wel bands Halvard Vebjörnsson (Duitsland), Morfar ofwel Morten van Youth Pictures Of Florence Henderson (Noorwegen), Rim en Kidedo (Frankrijk), Void`s Anatomy (Canada), Bosques De Mi Mente (Spanje), Hasta Luego Pilar (Denemarken), Dylan Waller (VS) en Gargle (Japan) die materiaal zijn gaan uitwisselen, waarbij de harde kern wordt gevormd door de in Noorwegen wonende Duitser Jan Hammer, Maciek (Duitsland) en Mareno (Noorwegen). Ze weten van elkaar ook niet altijd wat voor instrumenten worden gebruikt; het is meer een natuurlijk proces, waarbij ideeën en invullingen gedeeld en aangevuld worden alsof ze werkelijk praten en discussiëren met muziek. Toch is hieruit een redelijk consistent en harmonieus geheel gerold, dat wel gehuld wordt in een mysterieuze sluier. Het zijn dromerige soundscapes, die bestaan uit samenraapsels van glitch, post-rock, elektronica, experimentele muziek, folk, lo-fi en ambient. Eigenlijk is het zelfs meer sfeer dan reguliere muziek en dat maakt dit project ook zo bijzonder biologerend. Elektronische klanken, gitaren, piano, mannelijke en vrouwelijke fluisterzang, accordeon, veldopnames, krakende geluiden, samples en nog veel meer passeren de revue op een serene, soms spookachtige wijze. Rustiek maar met een unheimisch gevoel, zoiets. Ook de titels van de nummers zijn verworden tot taalhybrides, die het project nog meer in een mysterieuze nevel hullen. Het jonge kwaliteitslabel Fluttery heeft hiermee laten zien dat ze staan voor innovatie en lef, zoals ze dat inmiddels op vele andere releases ook al hebben aangetoond. De muziek van Draff Krimmy houdt het fijne midden tussen 2 By Bukowski, The Third Eye Foundation, Human Greed, Hood, Piano Magic, Múm, Set Fire To Flames en het daaraan gerelateerde Godspeed You! Black Emperor. De poëzie van deze band zit hem in alle poriën. Prachtige luisterervaring!
De Fransman Sylvain Chauveau is één van meest talentvolle muzikanten van de laatste 10 jaar die ik ken. Met Watermelon Club, Arca, Micro:Mega, (Ensemble) 0 en On weet hij sier te maken van noise en postrock tot bijna verstilde experimentele en prachtige, filmische muziek. On start in 2003 na een ontmoeting met Steven Hess (Haptic, Pan American). In 2004 verschijnt hun door Deathprod geproduceerde en gemixte cd Your Naked Ghost Comes Back At Night, die vorig jaar is heruitgegeven op Type. In 2007 verschijnt de tweede cd van de groep Second Souffle, waarbij hun eerdere materiaal onder handen genomen wordt door Pierre-Yves Macé (Sub Rosa, Tzadik, Orkhestra). Daarna zijn Chauveau en Hess gaan werken aan echt nieuw materiaal. Uiteraard, want dat hele mix en herbewerk principe is het concept van On, laten ze dat weer door een derde onder handen nemen. Ditmaal is dat niemand minder dan Christian Fennesz die er zijn licht over mag laten schijnen. Nu ja licht in alle betekenissen van het woord kan je de cd Something That Has Form And Something That Does Not niet bepaald noemen. De improvisaties en experimentele abstracties die Chauveau en Hess met respectievelijk gitaar en percussie hebben gemaakt worden door Fennesz ondergedompeld in zijn welbekende duistere glitches. Hierdoor krijg je een soort ambient, al valt er niet echt een harmonieuze lijn in te ontdekken. Het is meer een continue intrigerende en bovenal duistere stroom aan geluid, die ergens tussen ambient, postrock, industrial, glitch, zachte metal, jazz en pure improvisaties uitkomt. Ik kan me zo voorstellen dat als Talk Talk ooit verder zou zijn gegaan met hun streven naar minimalistische perfectie, ze hier op uit zouden zijn gekomen. De schoonheid zit verstopt tussen de kleine ruimtes en in de leegte, net als de droogte tussen de druppels van de regen. Dat maakt het tot een werk waar je de uiterste concentratie voor nodig hebt, maar waar de beloning des te groter is. Fennesz heeft op magistrale wijze de door de twee heren geleverde ruggengraat van een body voorzien en soms juist niet. Groots en meeslepend.